Woonwagenrecht;Wat mag de hoogte van een woonwagen zijn – Discriminatie en gelijkheidsbeginsel

Woonwagenrecht:

In 2016 heeft de Raad van State, onze hoogste bestuursrechter, een uitspraak gedaan waarin een paar belangrijke onderwerpen zijn besproken. Hoe hoog mag een woonwagen zijn, en als er andere woonwagenkampjes met hoge wagens zijn waarom mag dat bij ons dan niet? Is dat geen discriminatie en is dat niet in strijd met het recht op familieleven zoals dat geregeld is in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Al deze onderwerpen kwamen aan bod in een procedure over een nieuw bestemmingsplan aan het Ma Braunpad in Amsterdam.

Maximaal 4 meter hoog

De gemeente vond 4 meter hoog genoeg en legde dit vast in het nieuwe bestemmingsplan. Dit terwijl er al diverse hogere woonwagens staan. Volgens de gemeente zouden hoge woonwagens leiden tot verzakkingen. Er waren echter geen verzakkingen en er was ook geen onderzoek naar gedaan. De raad van State vond dat dan ook geen sterk argument. Zeker nu er in de toelichting op het bestemmingsplan ook helemaal niet op werd ingegaan.

Op andere kampjes mogen wel hogere wagens

Ik hoor wel vaker dat bewoners tegen mij zeggen dat op andere kampjes in dezelfde gemeente wel wagens staan en ook nieuwe gebouwd mogen worden die hoger zijn dan op hun kampje. Ik leg dan altijd uit dat dit ook voor huizen kan gelden in een andere straat. Soms mag er een flat gebouwd worden, soms alleen laagbouw en soms alleen woonwagens. Dat kan op zich prima. Volgens onze hoogste bestuursrechter vereist het gelijkheidsbeginsel dat gemeenten in gelijke gevallen consequent en welbewust handelen. Als bewoners aan kunnen geven dat op andere vergelijkbare woonwagenkampjes in dezelfde gemeente wel hoger gebouwd mag worden, dan zal de gemeente moeten kunnen aantonen dat deze gevallen niet gelijk zijn. Dat is een belangrijk punt. Als gemeenten lagere bouwhoogtes willen opleggen, dan zullen ze dat heel goed moeten onderbouwen.

Strijd met mensenrechten

De bewoners hadden aangevoerd dat de bouwhoogte van 4 meter een ernstige inbreuk betekent op hun familie- en gezinsleven. Dat wordt beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit Europa komt ook veel goeds, zeker voor de bescherming van minderheden. Volgens de bewoners zouden ze belemmerd worden in hun gezinsleven en hun familieleven. Het leven in groter familieverband is nu juist een belangrijk onderdeel van de woonwagencultuur. Omdat er binnen het nieuwe bestemmingsplan ook geen nieuwe standplaatsen worden gerealiseerd betekent dat een aantasting van de woonwagencultuur.
De hoogste bestuursrechter is het daar jammer genoeg niet mee eens. Zij vindt dat een beperking van de bouwhoogte geen consequenties heeft voor het recht op familie- en gezinsleven. Want ook zonder uitbreiding van de woonwagen, kan het gezins- en familieleven in de huidige vorm gewoon blijven functioneren, vindt de bestuursrechter. Met andere woorden: Het gaat er niet om of je klein of groot woont of je je rechten kunt uitoefenen. Ook al woon je klein dan kun je de cultuur toch behouden.

Positieve verplichting

Onze hoogste bestuursrechter overweegt nog dat het effectief respecteren van het familie- en gezinsleven ook een positieve verplichting voor de overheid kan inhouden. De overheid moet de uitoefening van dit recht in zekere mate faciliteren. Dat is een belangwekkende conclusie. Wat heb je anders aan al die mooie woorden van het Europees Hof voor de rechten van de mens en het College voor de rechten van de mens als het daarbij blijft. Het gaat er natuurlijk om dat gemeenten en woningbouwverenigingen ook standplaatsen bij moeten bouwen en weer moeten gaan verhuren. Een positieve verplichting dus.

Discriminatie

De bewoners hadden ook nog aangevoerd dat een maximale bouwhoogte van 4 meter in strijd was met de Wet gelijke behandeling. De rechter is het daar niet mee eens. Het regelen van een bouwhoogte is niet gelijk te stellen met een besluit of je wel of niet in een woonwagen mag wonen. Ook is het vaststellen van een bouwhoogte niet van belang voor de toegang tot het aanbod van woonruimte. Het is volgens de rechter ook niet gelijk te stellen met het uitsterfbeleid. Het aantal standplaatsen wordt, door het maximaliseren van de bouwhoogte, niet verminderd. Voor mensen die de hele uitspraak willen lezen ECLI:NL:RVS:2016:150

door: Sjoerd Jaasma, advocaat woonwagenzaken

* Dit artikel werd eerder geplaatst in Wiel 6-2016

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Martinot Financieel © 2019